Eerst een dak, dan de bus
De eerste echte stap van deze ombouw had niets met de bus te maken. Wel met wat erboven staat.
Een bus strippen in de regen gaat niet. Toch niet op een open oprit.
Dat is de korte versie van waarom deze stap niets met de bus zelf te maken heeft. Tot nu toe hing elke werksessie af van de lucht. Panelen gaan eruit, gereedschap komt buiten, en één grijze namiddag later gaat alles terug het tuinhuis in. België is niet gul met droge weekends, en als ik daarop wacht, blijft deze ombouw eeuwig duren.
Dus de oplossing was een tent.
Het is een oude partytent, beige zeil op een stalen frame, en ze staat nu op het uitgedroogde gazon naast het huis. Het plan is simpel. De bus eronder rijden en doorwerken terwijl de regen op het zeil valt in plaats van op mij en het gereedschap.
Toen ik er voor het eerst onder stond, voelde het al minder als een tuin en meer als een werkplek. Langs de nok hangt een lichtslinger, in de hoek staat een kabelhaspel, en er liggen nog een paar buizen op overschot in het gras. Stroom, licht en een droge vloer. Veel meer is een werkplaats niet.
De bus staat nog op de oprit achter de haag, naast de stapel gerecupereerde kasseien, met de kleine aanhangwagen ervoor. Hem binnenrijden is de volgende test, en het deel waar ik het minst zeker van ben. Een Sprinter met hoog dak is een groot ding om in een tent te mikken.
Tegen de avond was de kat de enige die de nieuwe opstelling grondig had geïnspecteerd. Hij klom op de stapel kasseien, keek uit over de tuin, en gaf geen commentaar.
Wat ik uit deze stap meeneem: het onderdak is geen omweg in de ombouw, het hoort erbij. De tijd die in het opzetten van een tent kruipt, win ik terug op de regenweekends die ik anders kwijt zou zijn.
Volgende stap: de Sprinter onder het zeil krijgen, en ontdekken of ik de ruimte juist heb ingeschat.